De ideeën van Margaret Mead

Blog imageAls we het woord 'modern' gebruiken om iets te beschrijven, bedoelen we het meestal positief. We hebben veel bewondering, en voelen zelfs enige trots, voor de wonderen van de moderne wetenschap, de voordelen van moderne techniek en de superioriteit van moderne ideeën. Maar wat als we in de haast naar deze nieuwe-en-nog-betere-toekomst bepaalde belangrijke waarheden over onszelf overboord hebben gegooid? Een van de mensen die dit probleem helder onder woorden brachten was Margaret Mead, misschien wel de beroemdste antropoloog van de twintigste eeuw.  

Bekijk als je dit interessant vindt ook onze Crash Course: Antropologie

Margaret Mead werd in 1901 geboren in Philadelphia, de Verenigde Staten. Ze was de oudste van vijf kinderen. Haar vader was docent economie, haar moeder een sociologe die immigranten uit Italië bestudeerde. Toen Margaret nog een kind was, verhuisde haar familie regelmatig en ging ze soms naar een traditionele school, dan weer werd ze thuis onderwezen. Ook hing ze verschillende religies aan (omdat haar familieleden verschillend geloofden), maar uiteindelijk koos ze voor de episcopale kerk. Haar ervaringen met verschillende geloven en scholen zijn wellicht van invloed geweest op haar beslissing om de uiteenlopende manieren waarop mensen denken en met elkaar omgaan te bestuderen. 

Nadat ze psychologie had gestudeerd aan DePauw University en Barnard College (in een tijd waarin het heel ongebruikelijk was dat een vrouw een universitaire studie volgde), begon Mead met een proefschrift in het relatief nieuwe vakgebied antropologie aan de Columbia University in New York. Haar promotor was Franz Boas, die in feite de grondlegger was van die studierichting. In tegenstelling tot eerdere antropologen, die zich hadden voorgesteld dat de beschaving zich in een rechte lijn ontwikkelde van ‘barbaarsheid’ en ‘primitiviteit’ tot ‘beschaving’, stelde Boas dat er heel veel verschillende culturen waren op de wereld, die allemaal hun eigen gezichtspunten, inzichten en tekortkomingen hadden. De moderne westerse wereld was niet het toppunt van het menselijk kunnen, maar slechts een voorbeeld van wat mensen kunnen bereiken. 

Boas stelde voor dat Mead haar veldwerk op Samoa deed, een groepje vulkanische eilandjes midden in de Grote Oceaan. In die tijd werd het oosten van Samoa geregeerd door de Amerikanen en het westen door Nieuw-Zeeland, en werden de bewoners gaandeweg tot het christendom bekeerd.

Boas hoopte dat de reis Mead in staat zou stellen om een zogenaamde ‘primitieve’ cultuur te bestuderen die nog niet erg verstoord was door de technologisch geavanceerde wereld, en dat de ervaring zou leren dat Samoa een hoogontwikkelde cultuur had en eigen inzichten. In het verlengde van de interesse van Boas was Mead vooral geïnteresseerd in dit soort samenlevingen, omdat ze geloofde dat zulke afgezonderde culturen als ‘laboratoria’ konden dienen, die zouden aantonen welke culturele normen nuttig en gezond waren. Ze geloofde ook dat het belangrijk was dat snel te doen; ze was bang dat de afgezonderde culturen aan het verdwijnen waren en binnen korte tijd voor altijd verloren zouden gaan.

Mead reisde vanaf 1925 tot het begin van de Tweede Wereldoorlog naar Samoa en andere eilanden in de zuidelijke wateren van de Grote Oceaan. Ze woonde als antropoloog tussen de oorspronkelijke bewoners van de eilanden en legde hun manier van leven vast. Mead bestudeerde er onder anderen vissers en boeren, en enkele mensen die konden lezen en schrijven. Mead leerde om een baby op haar rug te dragen door het kind zich aan haar nek te laten vasthouden, en om zoals de lokale bevolking gekleed te gaan. Ze had alleen een fototoestel om dingen vast te leggen, dus verliet ze zich voornamelijk op haar aantekeningen, haar geheugen en natuurlijk haar vermogen om snel nieuwe talen te leren en populair te worden bij de plaatselijke bevolking. Op een van de eilanden logeerde ze op de veranda van de marineapotheker (waar ze meer privacy had dan in een Samoaans huis), die daar een apotheek had. De mensen kwamen dag en nacht bij haar langs, vaak alleen maar om een praatje te maken. Ze leerde een vreemdeling te zijn bij wie de lokale bevolking het gevoel had dat ze wel in vertrouwen kon worden genomen. Nadien zijn er twijfels ontstaan over de betrouwbaarheid van haar Samoaanse informanten, en daarop volgend ook weer een felle verdediging van haar werk. Hoe dan ook, schuilt de waarde van haar onderzoek vooral in wat het haar leerde over de Amerikaanse cultuur. 

Mead constateerde vooral een zwak punt in de moderne maatschappij met betrekking tot seksueel gedrag. Mead leidde zelf een onconventioneel leven; ze had een aantal echtgenoten en een altijd aanwezige minnares, de beroemde antropologe Ruth Benedict. Ze geloofde dat ‘men van verscheidene mensen kan houden en dat openlijke genegenheid in verschillende typen relatie past’. Omdat Mead noch heteroseksueel, noch monogaam was, wees ze op het gemak waarmee andere culturen zulke praktijken toelieten, en op de gezonde houding ten opzichte van liefde en seks die met zulk gedrag in stand kon worden gehouden.

In haar boek Coming of Age in Samoa (Volwassen worden in Samoa, 1928) beschrijft Mead de cultuur van Samoa als opener en ongedwongener met betrekking tot seks. Het boek beschrijft haar eerste en tevens beroemdste onderzoek, waarvoor ze meisjes bestudeerde die nauwelijks jonger waren dan zijzelf; tieners die het proces van volwassen worden doormaakten. Ze wilde weten of hun ervaringen verschilden van die van Amerikaanse tieners, en als dat zo was, of er iets van hun ervaringen te leren was. Maar ze wilde bovenal testen of ‘samenlevingen veranderd konden worden door het veranderen van de manier waarop kinderen werden opgevoed’. Ze ontdekte dat kleine kinderen alles over masturberen wisten en door middel van observatie leerden over geslachtsgemeenschap en andere seksuele handelingen, die ze niet minder schandalig of het becommentariëren waard vonden dan geboortes of de dood. Homoseksualiteit kwam niet vaak voor, maar was niet iets om je voor te schamen. De seksuele oriëntatie van de mensen fluctueerde hun leven lang op natuurlijke wijze; ze was niet vastomlijnd. 

Veel verschillen die Mead ontdekte waren geen eigenaardigheden, maar praktijken die konden worden overgenomen. Scheidingen kwamen vaak voor en werden niet als schandelijk beschouwd; zulke relaties waren gewoon ‘gestorven’. Het hebben van meerdere partners tegelijk was acceptabel en werd als gewoon gezien. Overspel kon tot een scheiding leiden, maar dat hoefde niet per se. Mead vertelt bijvoorbeeld dat de minnaar van iemands man of vrouw in de Samoaanse cultuur vergeven kon worden door de persoon die tekort was gedaan:

Hij gaat naar het huis van de man die hij gekwetst heeft, vergezeld van alle mannen van zijn huishouden... De rekestranten gaan met matjes op het hoofd... in een houding van grote neerslachtigheid en vernedering... bij het huis zitten... Tegen de avond zegt [de verraden echtgenoot] eindelijk: ‘Kom, dat is genoeg. Kom binnen en drink wat kava. Eet het eten dat ik voor u neerzet en dan zullen we ons conflict in de zee gooien.

Mead stelde dat, omdat de Samoaanse cultuur veel inzicht had in de complexiteit en moeilijkheden van seks als onderdeel van de natuurlijke levenscyclus, en omdat de Samoaanse cultuur op een nuttige, betekenisvolle manier op deze moeilijkheden reageerde, de persoonlijke sekslevens van de bewoners veel makkelijker waren. Ze ontdekte bijvoorbeeld dat de puberteit voor Samoaanse meisjes door zulke normen veel minder moeilijk was dan voor Amerikaanse meisjes, omdat Samoaanse meisjes relatief weinig verantwoordelijkheden hadden en er weinig sociale druk was om zich naar bepaalde seksuele normen te voegen. Ze werden niet onder druk gezet om zich van seks te onthouden, maar ook niet om bepaalde mijlpalen te behalen, zoals een vriend hebben of trouwen. Het omgekeerde van deze situatie betekende dat het voor Amerikaanse meisjes zwaar was om tiener te zijn – niet omdat ze tieners waren, maar omdat ze Amerikaans waren. 

Mead leverde hiermee stevige kritiek op haar eigen cultuur. Ze zag het leven voor Amerikanen van haar tijd als een leven waarin ze werden opgevoed ‘zonder uit eigen ervaring te mogen leren over geboorte, liefde en dood, voortdurend bestookt door een samenleving waarin tieners niet in hun eigen tempo volwassen kunnen worden, gevangen in het kleine nucleaire gezin van waaruit geen ontsnapping mogelijk is en dat weinig zekerheid biedt’. Hoewel er sinds die tijd in Amerika en de westerse wereld veel veranderd is, is haar zienswijze in veel opzichten nog steeds van toepassing. Onze pubers worden nog steeds onder druk gezet om zich aan bepaalde normen van seksueel gedrag aan te passen, en deze druk, plus de druk waaronder we staan wanneer we allang volwassen zijn, maken ons leven moeilijker en leger dan het zou kunnen zijn. Ons moderne leven staat niet toe dat we met betrekking tot liefde en seks net zo vrij, complex en veranderlijk zijn als mensen in andere culturen mogen zijn. 

Mead ontdekte ook dat het menselijk gedrag ten opzichte van de seksen per cultuur enorm varieerde, en veel meer dan de Amerikanen zich in die tijd konden voorstellen. Amerikanen beschouwden mannen bijvoorbeeld als productief, verstandig en relatief agressief, terwijl vrouwen als frivoler, vreedzamer en verzorgender werden beschouwd. Maar Mead bestudeerde ook stammen in Papoea-Nieuw-Guinea en ontdekte heel andere waarden. Ze schreef hierover het boek Sex and Temperament in Three Primitive Societies (Seks en temperament in drie primitieve samenlevingen, 1935). Ze stelde vast dat zowel de mannen als de vrouwen van de Arapeshstam vreedzaam en verzorgend waren, terwijl de mannen en vrouwen van de Mundugumorstam agressief en meedogenloos waren. Het opvallendst is echter Meads beschrijving van de mensen die in de regio Chambri woonden, waar de vrouwen dominant en veel agressiever waren dan de mannen, en de mannen afhankelijk waren en meer behoefte hadden aan emotionele steun. Met andere woorden, Mead opperde dat geen van deze eigenschappen kenmerken van de ‘menselijke natuur’ zijn. Het zijn gewoon eigenschappen die worden aangeleerd en aangemoedigd of juist vermeden door de cultuur waarin men leeft. 

Meads opvallende conclusie was natuurlijk dat cultuur veel bepalender is voor iemands persoonlijkheid dan men voorheen dacht. Het lag niet aan hun sekse dat vrouwen hun haar krulden of naar iemands gevoelens luisterden, en het lag niet aan hun ras dat sommige naties regelmatig hun buren aanvielen. Het lag eerder aan de sociale normen en verwachtingen die door de eeuwen heen waren ontstaan, en die de basis vormden van de psychologische eigenschappen van elk individu. ‘We moeten inzien,’ wees ze haar lezers erop, ‘dat onder oppervlakkige classificaties ten opzichte van sekse en ras dezelfde potentiële vermogens schuilgaan die generatie op generatie terugkomen, maar die ten onder gaan omdat er geen plaats voor is in de maatschappij.’ 

De moderne Amerikaanse maatschappij had ook geen plaats voor bepaalde potentiële vermogens – de Amerikaanse maatschappij was in dit opzicht niet succesvoller dan een zogenaamde primitieve cultuur. We denken bijvoorbeeld dat mannen van voetbal houden omdat hun sekse meer van oorlog voeren houdt, maar mannen voeren in feite vaker oorlog omdat zij tot de sekse behoren die (om een willekeurige reden of omdat het toevallig zo uitkwam) altijd oorlog voerde. We denken misschien ook dat vrouwen voor de kinderen zorgen omdat ze verzorgend zijn, maar eigenlijk zijn ze gestimuleerd om verzorgend te zijn, omdat ze de taak hadden om de kinderen op te voeden. Door deze veronderstellingen vergeten we het potentieel dat mensen hebben om zacht of juist ruw te zijn, een potentieel dat andere culturen niet zijn vergeten.

Bekijk als je dit interessant vindt ook onze Crash Course: Antropologie

Deze tekst is een bewerking van een hoofdstuk uit het boek Grote Denkers van The School of Life (Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar).

Recent entries