Waarom werk niet gelukkig maakt

blog waaromwerknietgelukkigmaakt

Door Menno de Bree

De meeste mensen die ik ken, mijzelf incluis, zijn harde werkers. Waarom zijn we dat eigenlijk? Laatst stelde ik die vraag aan een vriend die altijd héél hard werkt (‘mijn werk is mijn passie’). Zijn uiteindelijke antwoord was dat hij dat deed omdat hij dacht dat hij daar gelukkig van werd. Hij keek er wel een beetje sip bij. Hij zat thuis op de bank met een burn-out. Hij voelde zich mislukt.

Iedereen wil gelukkig worden, stelde Aristoteles al in de vierde eeuw voor Christus. Geluk definieert hij als datgene wat we willen omwille van zichzelf – en niet omwille van iets anders. Een gelukt leven is het doel waar we uiteindelijk allemaal naar streven.
Aristoteles dacht ook dat het in principe mogelijk is om gelukkig te kunnen worden. In zijn Ethica geeft hij daartoe indringende en beroemd geworden aanwijzingen.

Ook wij willen, vierentwintig eeuwen na Aristoteles, nog steeds graag gelukkig zijn. Ook wij denken meestal dat het in principe mogelijk moet zijn om gelukkig te worden en te blijven. Als je niet gelukkig bent, moet je gewoon harder je best doen. Of je moet het via een andere weg proberen. Ongeluk is de uitzondering: het is óf een kwestie van pech, óf je eigen stomme schuld.

Aristoteles dacht dat je alleen gelukkig kon worden als je niet hoefde te werken. Werk leidt alleen maar af. Voor ons geldt het tegenovergestelde. Alain de Botton claimt bijvoorbeeld dat we ons geluk proberen te realiseren via werk en liefde. De weg via liefde is echter gevaarlijk en onstabiel. Het realiseren van geluk via werk lijkt een veel zekerder alternatief.
En waarom zouden we anders de beste tijd van onze dagen, van ons leven, wijden aan iets als we niet ergens deep down het zekere vermoeden zouden hebben dat het ons uiteindelijk gelukkig maakt?

Ik denk dat werk ons wel geluk belooft, maar dat die belofte vaak een loze is. Ik denk ook dat de manier waarop we nadenken over werk en geluk, ons vaak ongelukkig maakt. Hieronder leg ik uit waarom.

Een giftig huwelijk

Er zijn veel factoren die kunnen maken dat je ongelukkig wordt van je werk, zoals zenuwslopende reorganisaties, psychopathische bazen en onrealistische doelstellingen. En dan kun je ook een persoonlijkheidsstructuur hebben die je af en toe in de weg zit (de meeste mensen hebben zo’n persoonlijkheidsstructuur). Maar over deze toevallige factoren, hoe belangrijk en belastend soms ook, wil ik het niet hebben.

Ons handelen wordt ook bepaald door onze cultuur en de daarin aanwezige ideeën over wat een goed leven, een goed mens of een goede samenleving is. In onze cultuur zijn twee krachten, ideologieën, werkzaam, die er enerzijds voor zorgen dat wij met name op en door middel van ons werk ons geluk willen realiseren, en er anderzijds voor zorgen dat dat vaak niet lukt.

De ene ideologie is die van de zelfvormgeving, of preciezer: die van de plicht tot authentieke zelfvormgeving. De andere is die van het kapitalisme.

Ik zal hieronder uitleggen hoe deze twee ideologieën een huwelijk met elkaar zijn aangegaan van het meest giftige soort: ze brengen, als het gaat om geluk en werk, het slechtste in elkaar naar boven. De authenticiteitscultus maakt ons afhankelijk van werk doordat dat de belangrijkste sfeer is waarin we ons willen en kunnen ontplooien. Het kapitalisme buit dit gegeven uit om zo het laatste restje productiecapaciteit uit ons te halen – om vervolgens de schuld en verantwoordelijkheid van ons falen en opbranden bij ons terug te kunnen leggen.

Zelfvormgeving

Waar komt het idee vandaan dat we onszelf moeten vormgeven? Waarom moeten we daarin authentiek en uniek zijn? En wat heeft dit met werk te maken?

Een korte en grove schets ter toelichting. Laten we beginnen met de vaststelling dat wij mensen als halffabricaat ter wereld komen. We zijn niet ‘af’ bij onze geboorte. In elk van ons moeten enorme hoeveelheden kapitaal, energie en aandacht worden gestopt om er iets van te maken. Maar hoe bouw je een mens af? Welk bouwplan moet je daartoe volgen? Welke kwaliteitscriteria moet je hanteren?

Vroeger, in de tijd van Aristoteles tot nog niet zo heel lang geleden, was het antwoord eenvoudig. De mens kon zich beschouwen als het hoogste wezen op aarde: een redelijk, op kennen ingesteld wezen, geschapen door God, naar Zijn evenbeeld. De mens leefde op de aarde: het middelpunt van de kosmos. Het menselijk leven was misschien niet altijd makkelijk, maar wel zinvol. Als je je voegde in de orde, deed je wat je moest doen. In die tijd had je waarschijnlijk weinig last van keuzestress. (Misschien had je wel honger, en leefde je kort; dat dan weer wel.)

We zijn hard van ons voetstuk gevallen in de afgelopen eeuwen. De aarde, en daarmee de mens, bleek zich toch niet in het centrum van het heelal te bevinden (Copernicus), ons kenvermogen is niet Godgelijk omdat we nooit toegang hebben tot de wereld buiten onze voorstellingen om (Kant), we zijn geen kroon op een schepping, maar een toevallig product van een biologische ontwikkelingsgeschiedenis dat verder geen enkel doel dient (Darwin), ons redelijk vermogen is een machteloze goedprater die ons slechts de illusie van autonomie geeft, terwijl we worden geleid door blinde, onbewuste krachten (Schopenhauer, Freud). En God is dood (Nietzsche). Er is geen fundament van onze moraal, geen richting, geen bedoeling, geen horizon waarop we kunnen navigeren.

Wat betekent dit nu voor ons, post-negentiende-eeuwse wezens? We komen nog steeds als halffabricaat ter wereld. Maar een orde, een voorbeeld, een richting waarin we ons kunnen voegen of waaraan we ons kunnen spiegelen, is er niet. Er is geen bedoeling. Er is geen bouwplan. We moeten onszelf afbouwen – maar waartoe, en hoe, dat moet ieder voor zichzelf uitvogelen.

Ieder mens is uniek en creatief, stelt de romantiek. Als er geen universeel bouwplan is, dan is het enige wat ertoe doet dat jij diegene bent die kiest – dat de keuzes die je maakt jouw eigen en unieke keuzes zijn. Wie je bent en wat je wordt, is niet van tevoren gegeven en kun je niet ontlenen aan an-deren. Waar het om gaat, is dat je jezelf vormgeeft. Je wordt jezelf in de keuzes die je maakt, in de projecten die je aangaat, en het enige criterium dat je daarbij kunt gebruiken is dat het jouw authentieke keuzes zijn.

Wij zijn allen romantici. En dat kiezen, dat zelf-vormgeven, dat doen we vooral binnen de context van ons werk. Want dat is waar we het grootste deel van de dag en het meest productieve deel van ons leven aan besteden.

Als deze visie klopt, betekent dit dat werken voor ons een andere, belangrijke lading heeft dan voor voorgaande generaties. Om iemand te worden, en om iemand te zijn, moeten we slagen op ons werk. We moeten niet alleen onszelf ontplooien, maar daarin ook nog eens beter en herkenbaar anders dan de anderen zijn. Niets is immers dodelijker voor je zelfwaardering dan dat je je in niets onderscheidt van de massa.
Als we falen in ons werk, falen we daarom niet alleen als werknemer of als collega, maar ook en vooral als persoon. Wie ontslagen wordt of met een burn-out thuiszit, heeft niet alleen een sociaal of economisch, maar ook een existentieel probleem. Mislukken op je werk betekent mislukken als mens.

Kapitalisme

We moeten dus lukken op ons werk. Zonder werk geen gelukt leven. De lat ligt hoog, de mogelijke verliezen zijn groot. Het kapitalisme maakt daar handig gebruik van. Dat zie je het duidelijkst als je een ouderwets marxistische bril opzet.

Marx deelde in de negentiende eeuw de samenleving in twee klassen in: kapitalisten en arbeiders. Kapitalisten hebben de beschikking over kapitaal en productiefaciliteiten, nodig om het kapitaal te vergroten.
Arbeiders hebben helemaal niets, behalve hun vermogen tot arbeiden. Arbeiders kunnen alleen in hun levensonderhoud voorzien als zij hun arbeidskracht aan de kapitalisten verkopen. Als dat niet lukt, bijvoorbeeld omdat arbeid elders goedkoper wordt aangeboden, zullen zij sterven.
Kapitalisten en arbeiders hebben elkaar dus nodig, maar arbeiders hebben kapitalisten net iets meer nodig dan andersom.

Stel: je bent een kapitalist en je wilt je kapitaal vergroten. Dit kan door je productiekosten laag te houden. Het is dus zaak om zoveel mogelijk arbeid voor je geld te krijgen. Hoe krijg je je arbeiders nu zover dat ze zo hard mogelijk werken?

Klassieke vormen van externe motivatie zoals beloning en straf hebben een grens. Als je een arbeider onder dreiging opdraagt een taak beter of sneller uit te voeren, zal hij dat, bang voor represailles, doen. Maar slechts tot een bepaalde hoogte. Een arbeider kan altijd denken: ik doe dit wel, omdat ik dit moet doen – maar ik wil het niet. Een dergelijke arbeider zal niet alles geven wat in hem zit. Vanuit kapitalistisch oogpunt vormt deze arbeider een probleem.
Als je als kapitalist het laatste restje productiecapaciteit uit de arbeider wilt persen, moet je dus de wil van de arbeider veroveren. Je moet ervoor zorgen dat de arbeider alles wil geven – niet omdat jij dat wilt, maar omdat hij dat zelf wil. De arbeider moet zichzelf gaan uitbuiten. Maar hoe krijg je arbeiders zover? Wie is er zo gek?

De oplossing van dit probleem ligt in het authenticiteitsideaal dat ons door de romantiek is aangereikt. Arbeiders, wij, hebben werk nodig, omdat dat de context is waarin we onszelf vormgeven. Dat project moet slagen. En daarom willen we daar zelf alles voor doen. De enorme behoefte aan mogelijkheid tot authentieke zelfvormgeving is de sleutel tot zelfuitbuiting waar het kapitalisme naar heeft gezocht. Het kapitalisme heeft het romantische ideaal voor haar karretje weten te spannen. Hoe werkt dat concreet in de praktijk?

Zelfuitbuiting in de praktijk

Toen ik geveld werd door een burn-out, voelde ik me schuldig, verdrietig en blij. Schuldig, omdat ik de organisatie waarvoor ik werkte, teleurgesteld had. Verdrietig omdat ik had gefaald. Blij omdat ik tenminste had bewezen dat ik alles had gegeven. Ik was toen erg ziek.

Als je als werknemer tegen je grenzen aan loopt, dan is dat een symptoom van een probleem. Maar wat voor probleem? Was de werkdruk te hoog? Waren de omstandigheden te complex? Of was jij niet in staat om met die werkdruk of complexiteit om te gaan?
'Dat laatste, natuurlijk!' dacht ik, toen ik thuiszat. Ik moest me ontwikkelen, en dat had ik kennelijk onvoldoende gedaan. Er waren geen organisatieproblemen, alleen competentieproblemen. Dat vond mijn organisatie ook.
Een dergelijke diagnose heeft vanuit kapitalistisch perspectief enkele belangrijke voordelen. Ten eerste zal de arbeider zelf het boetekleed aantrekken en weer intrinsiek gemotiveerd aan de slag gaan. Hij heeft het immers niet goed gedaan (terwijl er anderen zijn die geen problemen hebben), hij dreigt te mislukken, en hij zal er dus alles aan doen om weer snel aan de slag te gaan. Ten tweede hoef je als organisatie zo niet al te veel verantwoordelijkheid te nemen en zelf niet zoveel te veranderen. Dat drukt de kosten. Ten derde is de oplossing eenvoudig, meetbaar en relatief goedkoop: competentie-ontwikkeling. Kun je niet omgaan met een hoge werkdruk? Cursusje timemanagement! Te druk in je hoofd? Mindfulness!

Het volgende scenario kan zich dan ontvouwen. Je productiecapaciteit wordt op deze manier weer opgekrikt – en als het even kan meer opgerekt. Je bent niet alleen weer ‘belastbaar’; je kunt ook meer verstouwen dan voorheen. Maar je grens is niet verdwenen – die is alleen verlegd. Als jouw extra productiecapaciteit door je organisatie wordt ontdekt, zal deze volledig worden benut. Tot het uiterste. Het eerdere probleem zal zich dan herhalen. Je zult weer tegen een grens aan lopen, en weer falen.
Het gesprek dat je vervolgens krijgt, gaat dan ongeveer zo: ‘We zagen iets in je’, zegt je manager. ‘We hebben je uitgekozen omdat we hoge verwachtingen van je hadden. Die heb je door omstandigheden niet kunnen inlossen. Dat kan gebeuren. We bleven in je geloven. We hebben je geholpen om je crisis te tackelen. Er is in je geïnvesteerd. Anderen hebben je werk overgenomen. Het leek er even op dat je jezelf had herpakt. We gaven je nieuwe kansen. Maar het is niet gelukt. We moeten nu toch gezamenlijk constateren dat dat alle-maal niet heeft opgeleverd wat we verwacht hadden.’ Je voelt de bui al hangen: het is tijd om ‘afscheid te nemen’. Maar het ergste is misschien dus nog wel dat je het in je achterhoofd ergens terecht vindt ook. Je hebt gefaald, en dit is je verdiende loon. Onzinnig, maar waar.

Marx heeft voor dit soort situaties ergens de term ‘vals bewustzijn’ gemunt. Daarom: hoedt u zich voor de kapitalisten. Maar hoedt u zich nog meer voor uw eigen authenticiteitsideaal. Het zou u zomaar uw geluk kunnen kosten.

Deze tekst is eerder verschenen in het boek Brainwash 2017.

Menno de Bree is docent van The School of Life en spreekt op ons Business Symposium: The Future of Work over hoe Schopenhauer ons kan helpen in ons werk.

Business Symposium: The Future of Wolrk

Recent entries