De grootste ideeën van Jean-Paul Sartre

blog sartreFilosoof Jean-Paul Sartre (1905 – 1980) is een sleutelfiguur in de filosofische stroming die bekendstaat als het existentialisme. In onze filosofieprogramma's maak je kennis met filosofen als Sartre en leer je wat we nu nog aan hun ideeën hebben. Lees hieronder alvast over zijn belangrijkste inzichten.

Meer informatie over onze filosofieprogramma's

Op veel momenten in ons leven kunnen de ideeën van Sartre ons wakker schudden: Tijdens de puberteit, wanneer we ons door de verwachtingen van onze ouders en de maatschappij onder grote druk voelen staan. Tijdens de donkere momenten rond ons veertigste levensjaar, wanneer we inzien dat er nog steeds tijd is om dingen te veranderen, maar niet zoveel tijd meer. En op elk moment dat we het gevoel hebben dat we vastzitten en er niks aan kunnen doen.

Dit waren zijn ideeën:

1. De dingen zijn vreemder dan we denken

Sartre was gefascineerd door de momenten waarop de wereld ons toont dat ze eigenlijk veel vreemder en geheimzinniger is dan we normaal denken; momenten waarop de logica die we dagelijks hanteren niet langer toepasbaar is en we zien dat dingen onvoorspelbaar en zelfs absurd en beangstigend zijn. 

Sartres eerste roman, Walging (1938), staat vol zulke momenten. Zo is er het moment waarop de hoofdpersoon Roquentin in de tram zit. Hij legt zijn hand op de stoel naast hem, maar trekt hem dan snel weer terug. In plaats van als een eenvoudig object waarvan de functie duidelijk is (een object dat verder geen aandacht behoeft), doet de stoel zich opeens heel vreemd voor. Het object waar het woord 'stoel' op slaat, lijkt fundamenteel vreemd, alsof Roquentin het nooit eerder heeft gezien. Het materiaal en de lichte bolling doen hem denken aan de weerzinwekkende gezwollen buik van een dode ezel. Roquentin moet zichzelf dwingen te bedenken dat het ding naast hem iets is om op te zitten. Roquentin heeft een beangstigend ogenblik naar de ‘absurditeit van de wereld’, zoals Sartre het noemde, gekeken.

Dit soort momenten vormen de kern van de filosofie van Sartre. Sartrisch zijn betekent dat je je bewust bent van het bestaan zoals het is wanneer het ontdaan is van alle vooroordelen en stabiliserende veronderstellingen die het resultaat zijn van onze dagelijkse routine. Je kunt proberen op een sartrische wijze naar veel verschillende situatietjes in je leven te kijken. Denk bijvoorbeeld aan ‘het avondeten met je partner’. Op eerste gezicht is dit iets heel normaals, maar een existentialist zou het oppervlak van de normaliteit wegdenken, waardoor de radicale vreemdheid die eronder schuilgaat zichtbaar wordt. ‘Het avondeten’ betekent eigenlijk dat wanneer jouw deel van de planeet zich heeft afgedraaid van de energie van een verre explosie van waterstof en helium, je je knieën onder een paar lange delen omgehakte boom schuift, je stukjes van een dood dier of plant in je mond stopt en kauwt, terwijl naast je een ander zoogdier wiens genitaliën je soms aanraakt hetzelfde aan het doen is.

Of denk eens aan je baan door Sartrische ogen: jij en vele anderen wikkelen jullie lichaam in stof en verzamelen jullie in een grote doos, waarin jullie geluidjes naar elkaar maken; je drukt snel een serie plastic knopjes in, in ruil voor stukjes papier. Dan houd je ermee op en ga je weg. De volgende keer dat de hemel licht wordt, ga je weer terug.

2. We zijn vrij

Deze vreemde momenten kunnen nogal desoriënterend en beangstigend zijn, maar de voornaamste reden waarom Sartre onze aandacht erop wilde vestigen, is dat ze ook bevrijdend werken. Het leven is een stuk vreemder dan we denken (naar kantoor gaan, eten met je vriend(in), je ouders opzoeken – niets van dit alles ligt voor de hand of is ook maar enigszins normaal), maar als gevolg daarvan is het ook veel rijker aan mogelijkheden. De dingen hoeven niet per se te zijn zoals ze zijn. We zijn vrijer dan we meestal durven te geloven onder druk van gewoontes en verplichtingen.

Pas ’s avonds laat, of als we ziek in bed liggen of als we een lange treinreis naar een onbekende bestemming maken, staan we onze geest toe om te dagdromen en ons minder conventionele dingen voor te stellen. Deze momenten zijn verwarrend en bevrijdend tegelijk. We zouden het huis uit kunnen gaan, onze relatie verbreken en de persoon met wie we samenleven voorgoed kunnen verlaten. We zouden ontslag kunnen nemen, naar een ander land kunnen verhuizen en onszelf opnieuw uitvinden als iemand anders. We hebben meestal heel veel redenen waarom we dat onmogelijk achten. Maar door middel van zijn beschrijvingen van momenten van desoriëntatie, wilde Sartre ons een andere manier van denken aanreiken. Hij wilde dat we het normale, vaste perspectief af en toe links laten liggen en onze fantasie de vrije loop laten. We hoeven morgen niet naar ons werk te gaan om daar dingen te zeggen die we niet menen tegen mensen die we niet mogen. We hoeven onze levenslust niet op te offeren voor een vals idee van veiligheid.

Wanneer we onze vrijheid verwezenlijken, worden we geconfronteerd met wat Sartre de ‘angst’ van het bestaan noemde. Alles is (beangstigend genoeg) mogelijk, omdat niets ‘zin’ heeft en niets een voorbestemd, door God gegeven doel heeft. De mens bedenkt al doende hoe hij moet leven en is op elk moment vrij om zijn ketens van zich af te schudden. Er is niets in de niet-menselijke orde van de wereld dat ‘huwelijk’ of ‘baan’ heet. Dit zijn gewoon etiketten die we op dingen hebben geplakt en als echte existentialisten zijn we vrij om die er weer af te halen.

Dit is beangstigend, maar Sartre zag angst als een teken van volwassenheid, een teken dat we leven en ons bewust zijn van de realiteit met al haar vrijheid, mogelijkheden en moeilijke keuzes.

3. We moeten niet ‘te kwader trouw’ leven

Sartre heeft een term bedacht voor het leven zonder echt te begrijpen wat vrijheid is. Hij noemde dit ‘kwade trouw’.

We leven ‘te kwader trouw’ wanneer we onszelf voorhouden dat de dingen precies zo moeten zijn als het volgens ons hoort en als we onze ogen sluiten voor andere mogelijkheden. Het is ‘kwade trouw’ om erop te staan dat we een bepaald soort werk moeten doen, met een bepaalde persoon moeten samenleven of op een bepaalde plek moeten wonen.

De beroemdste omschrijving van ‘kwade trouw’ staat in Het zijn en het niet, waarin Sartre een ober gadeslaat die hij te overdreven zijn rol vindt vervullen, alsof de ober in de eerste plaats een ober is, in plaats van een vrij mens:

Hij beweegt zich vrijmoedig en snel, iets te precies, iets te vlug. Zijn stappen naar de klanten toe zijn iets te kwiek. Hij buigt zich iets te gedienstig voorover; zijn stem, zijn ogen drukken iets te veel aandacht uit voor de bestelling van de klant...

Sartre stelt dat de ober aan ‘kwade trouw’ lijdt. De man (voor wie waarschijnlijk iemand van Café de Flore in Saint-Germain model heeft gestaan) heeft zichzelf ervan overtuigd dat hij in essentie ober is, dat hij niets anders kan zijn dan dat, in plaats van een vrij mens die ook een jazzpianist of een visser op een treiler op de Noordzee zou kunnen zijn. Dezelfde houding van vastgebakken zijn in een dienstrol, van geen andere opties denken te hebben, is tegenwoordig te zien bij sommige IT-managers of bij ouders die hun kind van school komen halen. Deze mensen lijken te denken dat ze moeten doen wat ze doen, dat ze geen keus hebben, dat ze niet vrij zijn en dat ze door hun rol bepaald worden.

Beseffen dat je vrij bent in de existentiële zin van het woord moet niet verward worden met het Amerikaanse zelfhulpidee dat we allemaal vrij zijn om te zijn wie we willen zijn en te doen wat we willen doen zonder pijn te lijden of offers te brengen. Sartre is veel somberder en dramatischer. Hij wil ons er alleen op wijzen dat we meer mogelijkheden hebben dan we meestal denken.

4. We zijn vrij om het kapitalisme te ontmantelen

De belangrijkste factor die mensen ervan weerhoudt zich vrij te voelen is geld. De meeste mensen onthouden zichzelf allerlei mogelijkheden (naar het buitenland verhuizen, een nieuwe carrière proberen, je partner verlaten) door te zeggen: ‘Als ik me geen zorgen over geld hoefde te maken, zou ik het wel doen.’ 

In politiek opzicht maakte deze door geld gedreven passiviteit Sartre woedend. Hij zag het kapitalisme als een gigantische machine die bedoeld is om een gevoel van noodzakelijkheid te creëren die in werkelijkheid niet bestaat. Het zorgt er alleen maar voor dat we onszelf voorhouden dat we een bepaald aantal uren moeten werken, een bepaald product of een bepaalde dienst moeten kopen, of mensen een bepaald, laag salaris moeten betalen. Het is enkel een kwestie van het ontzeggen van vrijheid – en de weigering de mogelijkheid op andere manieren te leven serieus te nemen. 

Deze gedachte leidt tot interessante vragen: kunnen we de politiek zodanig veranderen dat we weer in contact komen met onze fundamentele vrijheden? Hoe kan onze houding ten opzichte van geld veranderen? Hoeveel uur per week moeten we werken? Hoe kan wat er op televisie te zien is, waar mensen naartoe op vakantie gaan of het schoolcurriculum verbeterd worden? Hoe zouden onze media veranderd kunnen worden?

Sartre is inspirerend omdat hij laat zien dat de dingen niet hoeven te zijn zoals ze zijn. Hij was enorm doordrongen van onze onbenutte mogelijkheden, als individuen en als soort. Hij moedigt ons aan om te accepteren dat het bestaan veranderbaar is en om nieuwe gewoonten, standpunten en ideeën te vormen. De erkenning dat het leven niet op een of andere voorbeschikte logica gebaseerd is en van zichzelf geen betekenis heeft, kan een bron van enorme opluchting zijn als we ons beklemd voelen door de traditie en de status quo.

Meer informatie over onze filosofieprogramma's

Deze tekst is een bewerking van een hoofdstuk uit het boek Grote Denkers van The School of Life (Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar).

Recent entries