Zes stappen om ergens écht goed in te worden

5 50 meesterschap

De bekende tienduizend-uren-regel voor het perfectioneren van een vaardigheid is niet genoeg. Dat is eigenlijk pas het begin.

Door Laurens Knoop, spreker op The Future of Work

In de Verenigde Staten zinderde het al maandenlang en afgelopen weekend was het zover: Floyd Mayweather won 'het gevecht van de eeuw' tegen Conor McGregor. Ik ben gefascineerd door meesterschap en keek met die blik naar de wedstrijd. Als de negenentwintigjarige McGregor ambieert om een grootmeester te worden in boksen, dan zou het advies van de meester zijn: vraag de ervaren Floyd of hij jouw mentor wil worden. Hij gaat met pensioen op zijn veertigste en heeft ongetwijfeld stiekem veel respect voor het Ierse lefgozertje. Een veelgemaakte denkfout is dat een betere en meer ervaren expert geen belangstelling heeft om een junior te begeleiden op zijn weg naar meesterschap.

Toch zag ik in Mayweather geen échte meester, ondanks zijn trackrecord van vijftig overwinningen. Een echte meester vertoont namelijk - naast een totale beheersing van zijn specialisme - ook een onschuldige stijl waarin hij een bepaalde kinderlijke speelsheid laat doorschemeren. We kunnen ons allemaal Het Gevecht van de vorige eeuw herinneren tussen Muhammad Ali en George Foreman (die vergezeld was van een heel serieuze herdershond).

'Float like a Butterfly, Sting Like a Bee': Ali was de meester die, terwijl Foreman met mokerslagen op hem inbeukte, hangend in de touwen in zijn oor fluisterde: 'Is that all you got, George?' Met een ondeugende glimlach op zijn verbeten gezicht veerde hij in de achtste ronde op en sloeg Foreman op legendarische wijze knock-out.

De knock-out door Muhammed Ali in het historische Rumble in the Jungle (1974) gevecht met George Foreman. Met fragmenten van Foreman die vertelt hoe Ali hem versloeg.

Als je alleen een hamer tot gereedschap hebt, dan zie je alleen maar spijkers, zei de beroemde psycholoog Abraham Maslow eens. Als ik naar zo'n wedstrijd kijk, dan stel ik me telkens weer de vraag: is dit een meester en waarom? En waarom vind ik dat zo interessant? Misschien omdat ik zelf een typische generalist ben. De ultieme droom van een generalist is heel goed zijn in heel veel dingen. Vaak met als resultaat dat je in heel veel dingen een klein beetje goed bent. En de frustratie is dat telkens als je weer aan iets begint, het zo makkelijk lijkt. De meester in de betreffende vaardigheid lijkt er toch ook geen enkele moeite mee te hebben. Maar schrijver Godfried Bomans zegt het dan zo: 'Eenvoud is niet het kenmerk van de beginner, het is de duurbevochte stempel van de meester.' Ai.

Voor de ambitieuze generalisten onder ons is er goed nieuws en slecht nieuws. Laat ik met het goede beginnen: om meester te worden hoef je niet per se heel veel talent te hebben.

Het minder goede nieuws is dat de weg naar meesterschap heel veel tijd en aandacht vergt. De bekende tienduizend-uren-regel is eigenlijk pas het begin; je zou kunnen zeggen dat dit de tijd is die je nodig hebt om je leerling-fase te volbrengen. McGregor zit in deze leerling-fase, tenminste als het om het boksen gaat.

Je hebt eerder twintigduizend uur oefening en ervaring nodig om het gebied te betreden waar de groten op aarde hun doorbraken en creatieve eureka-momenten beleefden: Curie, Einstein, Darwin, Ford, Franklin, Mozart en bovenal Goethe en Proust hebben hun meesterwerken en disruptieve uitvindingen gedaan na een lange weg van vallen en opstaan. De paden die ze bewandelden om tot hun uiteindelijk prestaties te komen verschillen natuurlijk van elkaar. En toch zijn er zeer duidelijke overeenkomsten te herkennen in de fases die ze doorliepen. De Amerikaanse schrijver Robert Greene helpt ons in zijn boek Mastery om de lessen te leren van de grootmeesters.

Greene heeft ons geholpen met het ontdekken van patronen in de weg naar meesterschap. Hij bestudeerde tientallen dode en nog levende grootmeesters om te ontdekken hoe je jezelf kunt positioneren op weg naar de ultieme creativiteit. Want dat is wat Greene concludeert: alle mensen die uitblinken in kwaliteit en productiviteit in hun vakgebied, bezitten het unieke vermogen om opgebouwde kennis, herinneringen en indrukken later in hun leven terug te laten komen en te vermengen met professionele vaardigheden die ze zich meester hebben gemaakt. Sommigen gingen ten onder aan de stortvloed van creatieve productiviteit, zoals Mozart en Proust. Het rationele en intuïtieve brein vermengden zich na lange tijd oefening met elkaar tot een kinderlijk, speels veld, waarin ze met een groot vermogen tot verbeelding het ene na het andere briljante inzicht of werk produceerden.

Het bijzondere is dat deze mensen, met uitzondering van Mozart, op jonge leeftijd niet per se bijzonder uitblonken. Ze doorliepen stap voor stap en met een enorme toewijding de volgende fasen:

  1. Een diepe connectie vinden met hun natuurlijke geneigdheid (Curie, Ford, Mozart, Franklin, Proust, Einstein).
  2. Leerlingfase van jarenlange oefening en experiment.
  3. Een mentor die hen verder hielp en waarmee ze vaak ook weer braken (Faraday, Mozart, Franklin, Nietzsche).
  4. Een noodgedwongen omgang met de duistere, emotionele eigenschappen van zichzelf en vooral van mensen om hen heen, die uitmondde in een excellente omgang met vooral ingewikkelde types. (Goethe, Proust, Franklin) 
  5. Het betreden van een creatief domein waarin het intuïtieve brein nieuwe combinaties kon maken met bestaand materiaal en ideeën.
  6. Tenslotte een domein waarin ze dit creatieve en intuïtieve brein konden verbinden met herinneringen, indrukken en opgeloste vragen uit het verleden.

Het punt dat Greene maakt is dit: het speelse brein dat tot zoveel creativiteit in staat is, maar nog geladen is met kennis en kunde, wordt door de buitenwereld bedekt met allerlei ideeën over hoe dingen moeten zijn. Van ouders, vrienden en school krijgen jonge mensen een laagje over zich heen waardoor hun natuurlijke creativiteit - die iedereen bezit - wordt ingeperkt en soms definitief vernietigd.

De kunst van de meester is te leren hoe die luikjes op afroep te openen en er mooie dingen mee te maken. Het voert nu te ver alle paden van de meesters te beschrijven: hoe Proust zijn Op zoek naar de verloren tijd schreef na jarenlange studie in de salons van Parijs, hoe Einstein tot zijn idee van relativiteit kwam nadat hij het eigenlijk had opgegeven, hoe Mozart na het losmaken van zijn vader in dronken toestand last minute een van de mooiste ouvertures uit de geschiedenis schreef (Don Giovani), hoe Curie de radioactiviteit ontdekte, hoe Darwin de evolutietheorie bedacht of hoe Goethe op late leeftijd Faust schreef, de EU voorspelde en een vroege versie van de evolutietheorie ontwikkelde.

Het creatieve brein van de meester is er een die vele stappen vooruit kan denken en zich kan verplaatsen in verschillende perspectieven, een die men ervaart als een constante en bijna onuitputtelijke stroom van ideeën en uitvindingen, een die voelt als een droom waarin alles mogelijk is en alles lukt, een waar weinig fouten worden gemaakt omdat inherent alles al klopt, en een - en dat is weer lonkend nieuws voor generalisten - van waaruit een opgebouwd specialisme ook onwaarschijnlijke, andere gebieden kunnen worden aangeraakt en beheerst.

Toch is er een stap die ik zelf heel interessant vind omdat het raakt aan die andere fascinatie die heb: het ontwikkelen van emotionele volwassenheid, het punt dat je kunt bereiken waarin je stopt anderen de schuld te geven. Greene beschrijft een ontwikkelfase van verschillende meesters waarin de duistere kanten van mensen, ja van alle mensen, overwonnen worden door oefening en bewustzijn. Hij stelt zonder terughoudendheid dat het een noodzakelijkheid is om om te gaan met wat hij herkent als de dodelijke realiteiten van mensen: jaloezie, zelfobsessie, luiheid, conformisme, rigiditeit, vluchtigheid en passieve agressie. Het is de beheersing van deze eigenschappen en de vaardigheid om de duistere eigenschappen van anderen te erkennen en herkennen, die de ruimte openbaart om verder te ontwikkelen naar het creatieve domein van de meester.

Het idee van aangeboren genialiteit is een rustgevend idee, omdat je anderen kan bewonderen zonder zelf aan de beurt te hoeven zijn. Maar het bestaat niet zonder hard en geconcentreerd werken. Dus mijn uitnodiging aan anderen en trouwens ook mezelf: start bij je natuurlijke interesses en kies ervoor. Oefen en experimenteer en vind een mentor die je verder kan helpen. Leer omgaan met de emoties van anderen en jezelf. Omarm het onzekere en ongewisse in een proces naar creativiteit en geef jezelf het kind terug dat je ergens op weg bent kwijtgeraakt. Laten we eerlijk zijn: Goethe, Curie, Einstein, Mozart of Ali gaan we waarschijnlijk niet evenaren. Maar neem de stappen van Greene serieus neemt, en je zult zien dat er veel meer in je eigen vat zit dan dat je nu beseft.

Laurens Knoop is de oprichter van The School of Life Amsterdam. Op 9 november spreekt hij op het Business Symposium: The Future of Work over Meesterschap.

The Future of Work

Recent entries