Opvoeden: To be or to do?

blog ouderschap

Op 18 januari spreekt Susan Bögels bij The School of Life over Mindful ouderschap tijdens het special event Opvoeden in de 21e eeuw. Hieronder lees je een fragment uit haar boek Mindful opvoeden in een druk bestaan (Ambo|Anthos). 

Door Susan Bögels. 

Van alle diersoorten is de mens degene waarbij het het langst duurt tot het kind kan overleven zonder de zorg van de ouders. Dit wordt in verband gebracht met de grote omvang van de schedel van de baby, die op zijn beurt weer het gevolg is van onze grote hersenen, met name onze frontaalkwabben, die de mens onderscheiden van de dieren. Door die grote schedel moet de baby veel te vroeg geboren worden, en duurt het zo lang voor de baby kan lopen en zichzelf kan voeden en beschermen. Het kost daarom enorm veel inspanning om een enkel mensenkind tot volwassenheid te brengen.

Hoe wij opvoeden is door natuurlijke selectie gevormd. Opvoedingsstijlen die de kans dat een kind overleefde tot volwassenheid vergrootten werden vaker doorgegeven aan de volgende generatie, wij zijn dus geëvolueerde ouders. In onze evolutionaire geschiedenis was de moeder-kinddyade, omdat de moeder de baby in het begin van haar leven zo vaak en lang moest voeden en daarbij weinig anders kon doen, kwetsbaar voor aanvallers van buitenaf, en afhankelijk van de vader, grootouders, broertjes en zusjes en de grotere gemeen- schap voor bescherming en voeding. Mensen voedden hun kinderen dan ook op in groepen. Daar komt de uitdrukking vandaan: ‘It takes a village to raise a child.’

In de huidige westerse maatschappij is er van dit opvoeden als groep weinig over. We wonen met een enkel gezin in een huis in plaats van allemaal samen. Met name in de stad is er weinig sociale cohesie en sociale controle, en de kinderen gaan naar de crèche of naar een betaalde oppas in plaats van dat de grootouders, andere familieleden, vrienden, of buren voor ze zorgen terwijl de ouders aan het werk zijn. Omdat de zorg voor onze kinderen zo’n veelomvattende taak is, kan het verworden tot een reeks van ‘to do’s’ waar we met onze aandacht niet volledig bij zijn. Dit wordt wel de ‘doing mode’ of doemodus genoemd. In de doemodus zijn we bezig met dingen klaar te krijgen, op te lossen, doelen te bereiken, en zijn we ons bewust van de discrepantie tussen hoe dingen zijn en hoe ze zouden moeten zijn, bewust van alles wat nog niet af is en gedaan moet worden. In de doemodus kunnen we efficiënt dingen doen die we goed kennen en die weinig bewust aandacht van ons vragen, die geautomatiseerd zijn, zoals onze kinderen eten geven, het huis schoonmaken, naar ons werk reizen.

De doing mode is doorgaans een soort automatische piloot, het is onze ‘default mode’. Terwijl we de dingen doen zijn we met onze aandacht vaak elders, zoals bij het resultaat van wat we aan het doen zijn. Terwijl je bijvoorbeeld naar je werk fietst denk je er al aan wat je die dag op de agenda hebt staan, of terwijl je je kinderen naar school brengt denk je eraan of ze op tijd zullen zijn of aan wie ze straks op zal halen. De doing mode krijgen kinderen al jong, van ons en op school, geleerd: ‘Opschieten, anders kom je te laat, als je je huiswerk af hebt, krijg je een ijsje, niet staan dromen!’

Er is echter nog een andere staat van zijn, waarmee elk mens geboren wordt, de ‘being mode’ of zijnsmodus: waarin we ons verbinden met het huidige moment, waarin we de dingen ervaren zoals ze op dat moment zijn, de dingen kunnen laten zijn zoals ze zijn, we open en accepterend zijn tegenover prettige, neutrale en onprettige gevoelens (van onszelf en anderen), we de ervaring niet proberen te veranderen, en een gevoel van kalmte, stilte, en ‘centeredness’ ervaren. Kinderen zijn van nature in deze zijnsmodus, terwijl we met ze naar school lopen staan ze bij elk bloemetje stil, niet bezig met tijd of doel van de wandeling, maar van dit moment en deze plek.

Sinds ik leerde over deze twee states of mind maak ik als ik mijn zoveelste ‘to do’-lijst opschrijf (op zo’n gele post-it) daarnaast een ‘to be’-lijst (met een roze of blauwe post-it), om me eraan te herinneren waar het echt om gaat in het leven. Overigens is het afvinken van je ‘to do’s’ een heel nuttige bezigheid omdat het een bekrachtigingscentrum in je brein activeert, dus elke keer dat je een vinkje zet, een bolletje inkleurt, een ‘to do’ doorstreept, beloon je jezelf: goed zo! Het gaat echter om de balans tussen de doe- en de zijnsmodus, en om de wijze waarop we onze taken doen en onze doelen trachten te bereiken.

Opvoeden lijkt een ‘to do’-lijst geworden, iets waar we succesvol in moeten zijn zoals in onze carrière, waarbij succes te veel is gedefinieerd in termen van uiterlijke kenmerken zoals schoolopleiding, zelfstandigheid, schoonheid, prestaties, sociale vaardigheid, en waarbij we onze kinderen vergelijken met die van anderen, die het er beter afbrengen volgens die lat. We worden beïnvloed door foto’s uit linda. of Margriet van happy family’s aan de paas- of kerstdis, iedereen lacht en is mooi, slank, goedgekleed, opgemaakt en lijkt net terug van de kapper te zijn. Het huis is licht, keurig opgeruimd, het eten ziet er prachtig uit en staat allemaal op tijd op de feestelijk gedekte tafel.

Als ik terugdenk aan de kerstmaaltijden in mijn ouderlijk gezin dan komen er ook heel andere herinneringen naar boven: de kalkoen was te laat in de oven gezet en dus ongaar, mijn vader trok een gesmolten plastic zak met ingewanden uit de kalkoen toen deze eindelijk op tafel stond, en het was niet de bedoeling dat daar om gelachen werd. Wij kinderen (vijf!) ruzieden of giechelden zo dat we een voor een door mijn vader naar boven werden gestuurd zonder eten, er al dan niet klappen vielen maar in ieder geval woorden, en mijn ouders bleven (ik denk diepongelukkig) met zijn tweeën aan de kersttafel over. Zij hadden ongetwijfeld ook hun verwachtingen van hoe een kerstdiner eruit moest zien, hoe sfeervol het moest zijn, hoe de kalkoen moest smaken en wie daarvoor verantwoordelijk was, en hoe de kinderen zich moesten gedragen. Mijn vader en moeder waren met kerst duidelijk in een doing mode waarbij zij een discrepantie ervoeren tussen hoe het zou moeten zijn en hoe het was. Als kind herinner ik me de spanning, de angst dat het fout zou lopen, en de eenzaamheid als het weer fout liep.

Wat zou er zijn gebeurd als mijn ouders een cursus mindful parenting hadden gevolgd, en hadden geleerd over de being mode? Dat zij hadden kunnen kijken naar die tafel vol ruziënde en giechelende kinderen, de kalkoen die te laat gaar was en waarin een plastic zak met ingewanden zat, de onvervulde verwachtingen die zij van elkaar hadden (over wie die kalkoen had moeten bakken en de kinderen in het gareel had moeten krijgen), hun eigen onvermogen? Hoe zou het zijn geweest als zij elke poging hadden opgegeven om de ervaring anders te laten zijn dan die was? Of als mijn moeder werkelijk met aandacht die kalkoen had gebakken, en zich bewust was geweest wat zij nodig had om die aandacht aan die kalkoen te kunnen geven, wat zij nodig had van haar man, van haar kinderen, van haar werk? Of als mijn vader in staat was geweest werkelijk met aandacht naar mijn moeder te kijken, en gezien had dat zij liever schilderde dan kalkoen bereidde, dat zij zo moe was van het zorgen voor die vijf kinderen naast haar meer dan fulltimebaan, drukke sociale leven en hobby’s, dat hij haar geen groter plezier had kunnen doen dan zelf de kalkoen in de oven te schuiven?

Ik heb veel gelukkiger herinneringen aan de paastafel, hoe mijn moeder, volgens gebruik van mijn Poolse overgrootmoeder, samen met ons de eieren verfde. Ik herinner me de geur van het smeltende was van de krijtjes waarmee we op de warme eieren tekenden, hoe de krijtjes over de warme ronde oppervlakte gleden, en hoe we die daarna in de verschillende verfbadjes dompelden, verrukt over de witte lijntjes die dan ontstonden tussen het waskrijt en het gekleurde verfbad. De geur van het azijnbad waar ze daarna in gingen, en ze dan poetsen met boter zodat ze prachtig glommen. Nog steeds verf ik elk jaar, nu met mijn eigen kinderen, de paaseieren volgens dit oude gebruik!

De zijnsmodus in het gezinsleven en de opvoeding houdt in dat we onze kinderen, onze partner, ons gezinsleven, onszelf als ouders en opvoeders zien zoals ze/we werkelijk zijn, en onze ervaringen (en onze kinderen, onze partner, onszelf) niet proberen te veranderen. Een manier om dit te oefenen is met het weer. Als we ’s morgens het huis uit gaan hebben we geen invloed op hoe warm of koud het is, of de zon schijnt, het regent of waait. In plaats van ons te verzetten tegen de omstandigheden (hoofd naar beneden en schouders opgetrokken als het regent, waait of koud is) kunnen we een houding cultiveren van openheid tegenover en acceptatie van het weer op dit moment: hoe voelt de regen op je gezicht, de wind om je hoofd, de kou op je huid? Het weer ervaren precies zoals het is, op dat moment, loslaten dat het anders zou moeten zijn dan het is.

Deze houding kan ik regelmatig oefenen op Vlieland, waar ik vaak mijn vakanties doorbreng in een tent. Als het dagenlang slecht weer is geweest, hoor ik ouders in het toiletgebouw tegen hun kinderen verzuchten: ‘Volgend jaar gaan we naar Frankrijk!’ Zij zijn niet meer in het moment, de huidige vakantie, aanwezig met hun kinderen, maar de volgende aan het plannen, die dan beter moet worden dan deze. Kinderen denken niet zo: zij ervaren het weer zoals het is, en spelen in het toiletgebouw als het buiten te nat is en in de tent te koud. Dat kunnen wij volwassenen van hen leren!

Op 18 januari spreekt Susan Bögels bij The School of Life over Mindful ouderschap. 

Recent entries