Karl Marx

FB Marx

De meeste mensen zijn het erover eens dat we ons economisch systeem op de een of andere manier moeten verbeteren. De overmatige consumptie die ermee gepaard gaat, vormt een bedreiging voor onze planeet. Het systeem leidt ons af met irrelevante reclame, veroorzaakt honger, zorgt ervoor dat mensen geen gezondheidszorg krijgen en financiert onnodige oorlogen. Maar we wijzen ook graag de ideeën van de grootste en ambitieuste criticus van dit systeem, Karl Marx, af. Dit is niet verwonderlijk. In de praktijk zijn Marx' politieke en economische ideeën gebruikt om slecht geplande economieën en afschuwelijke dictaturen te vormen. Marx’ oplossingen voor de problemen van de wereld klinken nu eerlijk gezegd enigszins krankzinnig. Hij dacht bijvoorbeeld dat we privébezit moesten afschaffen. Mensen mochten geen bezittingen meer hebben. Op zekere momenten kun je dat wel begrijpen, maar ergens is het zoiets als het verbieden van roddels of televisiekijken. Het gaat de strijd aan met menselijk gedrag. Marx geloofde ook dat de wereld beter zou worden van een dictatuur van het proletariaat, iets wat tegenwoordig niet veel meer zo veel betekent. Bij de verkiezingen in Groot-Brittannië van 2010 waren in totaal 1.685 van de veertig miljoen uitgebrachte stemmen voor openlijk marxistische partijen. 

Maar toch moeten we Marx niet te snel afwijzen. We zouden hem moeten zien als iemand wiens diagnose van de negatieve kanten van het kapitalisme ons in de richting van een betere toekomst kan sturen. 

Karl Marx werd in 1818 geboren in Trier, Duitsland. Hij behoorde tot een familie die generaties lang rabbijnen had voortgebracht, maar zijn eigen familie bekeerde zich tot het christendom toen hij zes jaar oud was, om beter in de Duitse maatschappij te worden opgenomen. Hij maakte enorme schulden aan de prestigieuze Universiteit van Bonn, werd gevangengezet voor dronkenschap en verstoring van de openbare orde en raakte betrokken bij een duel. Hij wilde toneelcriticus worden. Zijn vader was daar niet blij mee en stuurde hem naar de serieuzere Universiteit van Berlijn, waar Marx junior zich aansloot bij een groep filosofen die zich de jonghegelianen noemde en bijzonder sceptisch was over de moderne economie en politiek.

Algauw raakte Marx betrokken bij de Communistische Partij, een klein groepje intellectuelen dat pleitte voor het afschaffen van het klassensysteem en privébezit. Hij werkte als journalist en verloofde zich in het geheim met de rijke Jenny von Westphalen. Als gevolg van zijn politieke activiteiten moest het jonge stel Duitsland ontvluchten en vestigde het zich uiteindelijk in Londen.

Marx schreef een groot aantal boeken en artikelen, soms samen met zijn vriend Friedrich Engels. Onder de belangrijkste werken zijn: Kritiek op Hegels rechtsfilosofie (1843), De heilige familie (1845), Stellingen over Feuerbach (1845), Economisch-filosofische manuscripten van 1844 (1845), Het communistisch manifest (1848), Kritiek op het program van Gotha (1875) en het dikke Het kapitaal (1867-1894).

Marx schreef voornamelijk over het kapitalisme, het type economie dat in de westerse wereld domineert. In zijn tijd was dit systeem nog in ontwikkeling en Marx was een van de intelligentste en opmerkzaamste critici ervan. Dit zijn enkele van de bezwaren die hij ertegen had:

1. Het moderne werk is ‘vervreemd’
Een van Marx’ grootste inzichten, dat hij optekende in het boek Economisch-filosofische manuscripten van 1844, is dat werk een grote bron van plezier kan zijn. Het is vanwege het feit dat Marx zélf zulke hoge verwachtingen van werk had dat hij zo kwaad was over het ellendige werk dat de meeste mensen gedwongen waren te doen.

Om voldoening te vinden in hun werk, schreef Marx, moeten arbeiders ‘zichzelf [kunnen] terugzien in de objecten die ze hebben gecreëerd’. In het beste geval geeft ons werk ons de kans om onze talenten (laten we zeggen: onze creativiteit, ons doorzettingsvermogen, onze logica) te laten zien en die in een stabiele, blijvende vorm te gieten; een voorwerp object of dienst die losstaat van onszelf. Ons werk moet als het goed is net iets beter zijn dan hoe we zelf in het leven van alledag zijn, omdat het ons in staat stelt het beste van onszelf te concentreren en distilleren.

Denk aan de persoon die deze stoel heeft gemaakt: een ongekunstelde, sterke, eerlijke en elegante stoel. De maker ervan zal zelf niet altijd zo zijn geweest. Soms was hij misschien slechtgehumeurd, wanhopig of onzeker. 
Toch is de stoel een object dat aan de positieve kanten van het karakter van de maker herinnert. Dat is wat werk idealiter is, dacht Marx. Maar hij merkte ook op dat steeds minder functies in de moderne wereld als kenmerk hebben dat ze ons in staat stellen om het beste van onszelf weer te geven in ons werk. 
Het probleem met het werk van tegenwoordig is deels dat het zo gespecialiseerd is. Dat weet je omdat mensen de vreemdste functietitels kunnen hebben: denk aan verpakkingstechnologiespecialisten, drankverspreidingsfunctionarissen, gastronomische hygiënetechnici of informatiearchitecten. Er gaat een jarenlange training aan deze functies vooraf, wat de moderne economie uiterst efficiënt maakt, maar waarin het zelden mogelijk is om je ware aard tot uitdrukking te brengen in je dagelijkse werk. 
In de ogen van Marx zijn we allemaal generalisten. We zijn niet geboren om maar één ding te doen. Het is de economie die – in haar eigen hebzuchtige belang – ons ertoe dwingt om ons op te offeren voor één enkele discipline, waardoor we (volgens Marx) ‘eenzijdig en afhankelijk’ en ‘geestelijk en lichamelijk tot de toestand van een machine [worden] verlaagd’. In de Economisch-filosofische manuscripten van 1844 stelde Marx voor het eerst dat het moderne werk tot ‘vervreemding’ (Entfremdung) leidt. 
We zijn in ons hart veel pluriformer en minder selectief dan waar in de moderne economie ruimte voor is: onder het kalme uiterlijk van de boekhouder schuilt misschien iemand die weleens een landschapstuin zou willen aanleggen. Heel wat dichters zouden weleens een paar jaar in de industrie willen werken. 
Marx erkende dat we meerdere talenten hebben. Specialisatie is vanuit economisch standpunt misschien noodzakelijk, maar het kan ook een vorm van verraad van de mens zijn. 
Marx wilde ons ook helpen werk te vinden dat zinvoller is. Werk is pas zinvol, zei Marx, als het direct bijdraagt aan het verminderen van het lijden van een ander, of als het op een tastbare manier bijdraagt aan de vreugde van anderen. Maar weinig functies, behalve dan die van arts of operaster, lijken aan dit ideaal te voldoen. 
Mensen nemen regelmatig ontslag omdat ze het nut niet inzien van hun werk als verkoper, als ontwerper van een reclamecampagne voor tuinmeubels, of als leraar Frans van kinderen die niet willen leren. Als ons werk zinloos voelt, hebben we daaronder te lijden, zelfs als we er een behoorlijk salaris mee verdienen. Marx gaf een eerste aanzet tot een antwoord op de vraag hoe we de economie moeten hervormen: we hebben een economisch systeem nodig waarin meer mensen minder onder hun werk te lijden hebben of er meer plezier aan beleven. Diep vanbinnen willen we allemaal het gevoel hebben dat we anderen helpen. Het gevoel dat we werkelijk aan de behoeften van anderen voldoen, niet dat we willekeurige verlangens bevredigen. 
Marx was zich ervan bewust dat er veel functies zijn waarin mensen geld verdienen maar hun inspanningen niet op een bepaalde manier ‘verzameld’ of weerspiegeld zien. Hun intelligentie en bekwaamheid worden verspild. Ze kunnen niet iets aanwijzen waarvan ze kunnen zeggen: ‘Dat heb ik gedaan, dat ben ik.’ Ook mensen met schijnbaar aantrekkelijke banen, zoals nieuwslezers of catwalkmodellen, hebben hier last van. Het dagelijks werk is misschien leuk, maar door de jaren heen leidt het nergens toe. Hun inspanningen stapelen zich niet op. Er is geen doel op de lange termijn waar hun werk op gericht is. Na een aantal jaren stoppen ze er gewoon mee. Dat is het tegengestelde van een architect die misschien vijf jaar aan een groot project werkt. Al die miljoenen details zijn op zich misschien vervelend en frustrerend, maar ze leiden uiteindelijk tot een prestatie. En iedereen die eraan meewerkt, heeft ook het gevoel een bepaalde richting op te gaan, een doel te hebben. Hun werk is nodig om iets geweldigs te realiseren, en dat weten ze. 
2. Het werk van tegenwoordig is onzeker 
Het kapitalisme maakt de mens volkomen vervangbaar; hij is slechts één factor in het productieproces en zodra de kosten stijgen of er geld bespaard kan worden door middel van de inzet van technologie, kan hij meedogenloos ontslagen worden. Het kapitalisme biedt wat werk betreft gewoon geen zekerheid. Toch, wist Marx, verlangen we allemaal in dezelfde mate naar zekerheid als we naar zekerheid verlangen in een relatie. We willen niet zomaar op straat worden gezet; we zijn bang om in de steek te worden gelaten. Marx wist dat we vervangbaar zijn; het hangt allemaal af van kosten en behoeften. Maar hij had sympathie voor de verlangens van de arbeider. Emotioneel gezien is het communisme een belofte dat we altijd een plekje zullen hebben in het hart van de wereld, dat we niet verstoten zullen worden. Dit is bijzonder treffend. 
3. De arbeiders krijgen weinig betaald, terwijl de kapitalisten rijk worden
Dit is wellicht het grootste bezwaar dat Marx tegen het kapitalisme had. Hij geloofde dat de kapitalisten de lonen van de arbeiders zo laag mogelijk hielden, zodat ze een grotere winst konden opstrijken. Het was erg moeilijk voor de arbeiders om hiertegen te protesteren of hun omstandigheden te veranderen. Ze hadden het werk niet alleen hard nodig, maar ook hun huisbazen en werkgevers konden samenzweren om hun situatie uitzichtloos te houden door de huurverhoging evenredig te koppelen aan de loonsverhoging. Het moderne leven bracht ook nieuwe uitdagingen met zich mee die het proletariaat zwak hielden: dichtbevolkte woonwijken, ziektes, steden vol misdaad en letsel als gevolg van werk in de fabriek. Met andere woorden, schreef Marx, de arbeiders konden bijna eindeloos worden uitgebuit. 
4. Het kapitalisme is onstabiel 
Lang voor de grote crisis van de jaren dertig en de geautomatiseerde beurzen van nu , zag Marx al dat kapitalistische systemen gekarakteriseerd worden door een serie van crises. Dit komt deels doordat kapitalisten steeds grotere risico’s nemen om nog grotere winsten te maken en deze speculatie van invloed is op de prijzen en de werkgelegenheid. Maar het kapitalisme is niet alleen onstabiel vanwege de concurrentie en de menselijke zwakte. Volgens Marx is het inherent aan het systeem dat het onstabiel is. Het systeem is een macht die zichzelf voortdurend overmeestert, een ‘tovenaar die niet langer in staat is de machten van de onderwereld te beheersen die hij door middel van zijn toverspreuken heeft opgeroepen’. 
Ironisch genoeg, zei Marx, hebben we geen crises in het kapitalisme vanwege tekorten maar vanwege een overvloed; we hebben te veel. Onze fabrieken en systemen zijn zo efficiënt dat we iedereen op deze planeet een auto, een huis, en toegang tot een goede school en een goed ziekenhuis zouden kunnen geven. Maar weinig mensen zouden hoeven werken. Maar we bevrijden onszelf niet. Marx dacht dat dit absurd is, de uitkomst van een vorm van pathologisch masochisme. In 1700 was de arbeid van bijna alle volwassenen in een land nodig om de hele bevolking van voedsel te voorzien. Tegenwoordig hoeft in een ontwikkeld land bijna niemand meer in de landbouw te werken. Voor het maken van auto’s is ook bijna geen personeel nodig. Werkloosheid wordt tegenwoordig als iets vreselijks gezien. Maar in de ogen van Marx is het een teken van succes, het resultaat van onze ongelofelijke productieve krachten. Het werk van honderd mensen kan nu door één machine worden gedaan. Maar in plaats van hier een positieve conclusie uit te trekken, blijven we werkloosheid als een vloek en een mislukking zien. Logisch gezien zou het doel van de economie juist moeten zijn om steeds meer mensen werkloos te maken. Dit zou als een vooruitgang gezien moeten worden, in plaats van een mislukking. 
Omdat we de rijkdom niet onder iedereen verdelen en we werkloosheid proberen te voorkomen, geloofde Marx dat we geteisterd worden door onstabiliteit, ellende en onrust. ‘De samenleving ziet zich plotseling teruggebracht tot een staat van tijdelijke barbarij,’ schreef hij. ‘En waarom? Omdat er te veel beschaving is... te veel industrie, te veel commercie.’ 
5. Het kapitalisme is slecht voor kapitalisten 
Hoewel Marx de kapitalisten en de bourgeoisie soms ‘vampiers’ en ‘vijandige broeders’ noemde, vond hij niet dat ze van nature slecht waren. Hij geloofde zelfs dat ze óók slachtoffer waren van het kapitalistisch systeem. Hij was zich bijvoorbeeld heel bewust van het verborgen verdriet en de pijn in de huwelijken van de bourgeoisie. Rijke mensen uit zijn tijd spraken met heel veel eerbied en sentimentaliteit over hun gezin, maar Marx stelde dat het huwelijk eigenlijk een verlenging van handelszaken was. Het huwelijk concentreerde het geld in handen van de man, die dat gebruikte om zijn vrouw en kinderen onder de duim te houden. Het geïdealiseerde kleinburgerlijke gezin werd gekenmerkt door spanning, onderdrukking en wrok, en de gezinsleden bleven niet uit liefde bij elkaar maar om financiële redenen. Marx dacht niet dat de kapitalisten werkelijk zo wilden leven. Hij geloofde eerder dat het kapitalistische systeem de mensen ertoe dwong om hun economische belangen als prioriteit te stellen, waardoor ze geen diepe, eerlijke relaties meer konden aangaan. Hij noemde deze psychologische neiging Warenfetischismus (warenfetisjisme), omdat het ons dingen laat waarderen die geen objectieve waarde hebben en ons stimuleert om onze relaties met anderen voornamelijk in een economisch opzicht te zien. 
Dit is een ander belangrijk aspect van het werk van Marx: hij maakt ons bewust van de bedrieglijke, subtiele manier waarop een economisch systeem de mening van mensen over allerlei zaken beïnvloedt. De economie genereert wat Marx een ‘ideologie’ noemde. In zijn werk De Duitse ideologie (1845) schreef hij: ‘De ideeën van de heersende klasse zijn in elk tijdperk de heersende ideeën.’ Een kapitalistische samenleving is een samenleving waarin de meeste mensen allerlei dingen geloven die in werkelijkheid waardeoordelen zijn die beïnvloed zijn door het economisch systeem, bijvoorbeeld: dat iemand die niet werkt praktisch nutteloos is, dat als we maar hard genoeg werken, we vooruitgaan in het leven, dat meer spullen ons gelukkiger maken en dat waardevolle dingen (en mensen) altijd geld opbrengen. 
Met andere woorden, het grootste kwaad van het kapitalisme is niet dat er corrupte mensen aan de top zitten – dat geldt voor elke menselijke hiërarchie – maar dat kapitalistische ideeën ons leren om bezorgd, prestatiegericht, conformistisch en politiek zelfingenomen te zijn.
***
Marx schreef opvallend weinig over hoe een communistisch systeem eruit zou moeten zien. Hij geloofde dat zijn werk voornamelijk bestond uit beschrijvingen van wat komen zou, in plaats van voorschriften voor de toekomst. Toen hij kritiek kreeg op zijn nogal vage voorspellingen (dat er bijvoorbeeld een ‘dictatuur van het proletariaat’ zou komen), spotte hij dat hij geen recepten wilde schrijven ‘voor de kookwinkels van de toekomst’. Misschien had hij wijs genoeg in de gaten hoe moeilijk het is om naar de smaak van de toekomst te raden, op zowel culinair als politiek gebied.
 
Toch krijgen we in het werk van Marx af en toe een glimp te zien van zijn utopia. In Het communistisch manifest omschrijft hij een wereld zonder privébezit, zonder geërfde rijkdom, met een sterk progressieve inkomstenbelasting, een gecentraliseerd bankwezen, een communicatie- en transportindustrie en gratis openbaar onderwijs voor alle kinderen. Marx verwachtte ook dat een communistische samenleving de mensen de ruimte zou laten om hun verschillende talenten te ontwikkelen. In De Duitse ideologie schreef hij: ‘In een communistische samenleving... kan ik vandaag het ene doen en morgen het andere; ik kan ’s morgens gaan jagen, ’s middags gaan vissen, ’s avonds voor het vee zorgen en kritiek leveren na het avondeten, net waar ik zin in heb, zonder ooit een jager, visser, veehouder of criticus te worden.’ Op die manier kunnen we verschillende kanten van onszelf verkennen – onze creativiteit, ons intellect, onze zachtheid en onze vurigheid – en iedereen zou tijd hebben voor een beetje gefilosofeer. 
*** 
Nadat Marx naar Londen was verhuisd, werd hij financieel gesteund door zijn vriend en intellectuele partner Friedrich Engels, een rijke man wiens vader eigenaar was van een katoenfabriek in Manchester, wat nogal ironisch was voor een antikapitalist. Engels betaalde Marx’ schulden, zorgde ervoor dat zijn werk werd uitgegeven en (om de verdenkingen van mevrouw Marx te ontkrachten) beweerde zelfs de vader te zijn van een baby die waarschijnlijk Marx’ buitenechtelijke kind was. Bovendien schreven de twee mannen bewonderende poëzie aan elkaar. 
Marx was geen gerespecteerde of populaire intellectueel in zijn tijd. Hij zat vaak in de leeszaal van het British Museum en schreef langzaam en eindeloos aan een boek over kapitaal. Engels en hij probeerden altijd aan de geheime politie te ontkomen (onder wie Marx’ zwager, die hoofd was van de Pruisische geheime dienst). Toen Marx in 1883 overleed, was hij stateloos en kwamen er minder dan een dozijn mensen op zijn begrafenis. 
Respectabele, conventionele mensen uit de tijd van Marx zouden hebben gelachen om de gedachte dat zijn ideeën ooit de wereld zouden veranderen. Maar slechts een paar decennia later gebeurde dat: zijn werk werd de hoeksteen van een van de belangrijkste ideologische bewegingen van de twintigste eeuw. 
Marx had een ongebruikelijk brede kijk op moderne problemen. Hij bedacht ingewikkeld klinkende termen als ‘dialectisch materialisme’, omdat hij ons wilde uitdagen om een link te leggen tussen onze dagelijkse keuzes en ervaringen, en grote historische krachten; om onszelf als onderdeel van een grotere, moreel belangrijke strijd te zien. Zijn werk is soms verwarrend, niet alleen omdat hij in de loop van zijn leven soms van gedachten veranderde, maar ook omdat hij zijn eigen taal wilde ontwikkelen om moderne problemen te beschrijven op een manier die niet voorschreef maar ook niet strikt wetenschappelijk was. 
We moeten de ideeën van Marx niet zonder meer van de hand wijzen vanwege wat er in de twintigste eeuw mee is gedaan, omdat hij bijzonder waardevol is voor het heden. Zoals velen van ons wilde hij begrijpen waarom de moderne economie niet alleen materiële rijkdom, maar ook veel ellende veroorzaakt. Hij was verbaasd over de macht van het kapitalisme, over de manier waarop het heeft gezorgd voor ‘de onderwerping van de krachten van de natuur aan de mens... het kappen van hele continenten ten behoeve van ontginning, het kanaliseren van rivieren, het uit de grond stampen van hele bevolkingsgroepen’. Maar hij zag ook in dat het kapitalisme ons niet gelukkiger, wijzer of vriendelijker maakt – het kan ons niet menselijker of ontwikkelder maken. 
Gezien het falen van eerdere door het marxisme geïnspireerde regimes, verbeteren we de zaken waarschijnlijk niet door het soort revoluties aan te stichten die Marx voorspelde. Maar we moeten serieus nadenken over wat hij ons vertelde over de dieper liggende problemen van het kapitalisme. Marxist zijn heeft veel te lang betekend dat je het eens bent met de minst indrukwekkende ideeën van Marx, namelijk zijn oplossingen voor de kwalen van de wereld. En omdat die zo vreemd zijn, valt al het andere dat hij te zeggen had in het niet. 
Maar Marx was als een briljant arts in de tijd dat de moderne geneeskunde nog in de kinderschoenen stond. Hij kon de aard van de ziekte herkennen, maar hij had geen idee hoe hij die moest genezen. Hij richtte zich op enkele maatregelen die misschien plausibel waren in de jaren veertig van de negentiende eeuw, maar waar we tegenwoordig weinig aan hebben. Op dit moment in de geschiedenis zouden we allemaal marxist moeten zijn, omdat we instemmen met zijn diagnose van onze problemen. Maar we moeten ook op zoek gaan naar remedies die echt werken. 
En die zijn er, aanlokkelijk genoeg, verborgen in onderzoek artikelen en boeken over economie die geen aandacht krijgen van de media. We moeten nadenken over de vraag hoe we een economie kunnen creëren die niet alleen meer welvaart genereert, maar ook een betere relatie met de natuur, met geld, met elkaar en met onszelf. We hebben geen dictatuur van het proletariaat nodig, maar we moeten wel nadenken over waarom we werk belangrijk vinden en wat we willen dat werk voor ons doet. We moeten privébezit niet afschaffen, maar we hebben wel een betere en beter doordachte relatie met geld en consumptie nodig. En we moeten het kapitalisme niet alleen hervormen door bankdirecteuren af te zetten, maar ook door onze eigen gedachten op hun kop te zetten. Pas dan kunnen we ons een economie voorstellen die niet alleen productief en innovatief is, maar die ook vrijheid en voldoening cultiveert. Zoals Marx zelf verklaarde: ‘De filosofen hebben de wereld tot dusver slechts geïnterpreteerd; nu komt het erop aan haar te veranderen.’

Denk aan de persoon die deze stoel heeft gemaakt: een ongekunstelde, sterke, eerlijke en elegante stoel. De maker ervan zal zelf niet altijd zo zijn geweest. Soms was hij misschien slechtgehumeurd, wanhopig of onzeker.

Toch is de stoel een object dat aan de positieve kanten van het karakter van de maker herinnert. Dat is wat werk idealiter is, dacht Marx. Maar hij merkte ook op dat steeds minder beroepen in de moderne wereld ons in staat stellen om het beste van onszelf weer te geven in ons werk.

Het probleem met het werk van tegenwoordig is deels dat het zo gespecialiseerd is. Dat zie je aan de vreemde functietitels die mensen hebben: denk aan verpakkingstechnologiespecialisten, drankverspreidingsfunctionarissen, gastronomische hygiënetechnici of informatiearchitecten.Er gaat een jarenlange training aan deze beroepen vooraf. Dat maakt de moderne economie uiterst efficiënt, maar maakt het zelden mogelijk om je ware aard in je werk tot uitdrukking te brengen.

In de ogen van Marx zijn we allemaal generalisten. We zijn niet geboren om maar één ding te doen. Het is de economie die – in haar eigen hebzuchtige belang – ons ertoe dwingt om ons op te offeren voor één enkele discipline, waardoor we (volgens Marx) ‘eenzijdig en afhankelijk’ en ‘geestelijk en lichamelijk tot de toestand van een machine [worden] verlaagd’. In de Economisch-filosofische manuscripten van 1844 stelde Marx voor het eerst dat het moderne werk tot ‘vervreemding’ (Entfremdung) leidt.

We zijn in ons hart veel pluriformer en minder selectief dan waar in de moderne economie ruimte voor is: onder het kalme uiterlijk van de boekhouder schuilt misschien iemand die weleens een landschapstuin zou willen aanleggen. Heel wat dichters zouden weleens een paar jaar in een fabriek willen werken.

Marx erkende dat we meerdere talenten hebben. Specialisatie is vanuit economisch standpunt misschien noodzakelijk, maar het kan ook verraad aan de mens zijn.

Marx wilde ons ook helpen werk te vinden dat zinvoller is. Werk is pas zinvol, zei Marx, als het direct bijdraagt aan het verminderen van het lijden van een ander, of als het op een tastbare manier bijdraagt aan de vreugde van anderen. Weinig beroepen lijken aan dit ideaal te voldoen, behalve misschien dat van arts of operaster. 

Mensen nemen regelmatig ontslag omdat ze het nut niet inzien van hun werk als verkoper, als ontwerper van een reclamecampagne voor tuinmeubels, of als leraar Frans van kinderen die niet willen leren. Als ons werk zinloos voelt, hebben we daaronder te lijden, zelfs als we er een behoorlijk salaris mee verdienen. Marx gaf een eerste aanzet tot een antwoord op de vraag hoe we de economie moeten hervormen: we hebben een economisch systeem nodig waarin meer mensen minder onder hun werk te lijden hebben of er meer plezier aan beleven. Diep van binnen willen we allemaal het gevoel hebben dat we anderen helpen. Het gevoel dat we werkelijk aan de behoeften van anderen voldoen, niet dat we willekeurige verlangens bevredigen. 

Marx was zich ervan bewust dat er veel beroepen zijn waarin mensen geld verdienen maar hun inspanningen niet op een bepaalde manier ‘verzameld’ of weerspiegeld zien. Hun intelligentie en talenten worden verspild. Ze kunnen niet iets aanwijzen waarvan ze kunnen zeggen: ‘Dat heb ik gedaan, dat ben ik.’ Ook mensen met schijnbaar aantrekkelijke banen, zoals nieuwslezers of catwalkmodellen, hebben hier last van. Het dagelijks werk is misschien leuk, maar door de jaren heen leidt het nergens toe. Hun inspanningen stapelen zich niet op. Er is geen doel op de lange termijn waar hun werk op gericht is. Na een aantal jaren stoppen ze er gewoon mee. Dat is het tegengestelde van een architect die misschien vijf jaar aan een groot project werkt. Al die miljoenen details zijn op zich misschien vervelend, maar leiden uiteindelijk tot een prestatie. En iedereen die eraan meewerkt, heeft ook het gevoel een bepaalde richting op te gaan, een doel te hebben. Hun werk is nodig om iets geweldigs te realiseren, en dat weten ze.

2. Het werk van tegenwoordig is onzeker
Het kapitalisme maakt de mens volkomen vervangbaar; hij is slechts één factor in het productieproces en zodra de kosten stijgen of er geld bespaard kan worden door middel van de inzet van technologie, kan hij meedogenloos ontslagen worden. Het kapitalisme biedt wat werk betreft gewoon geen zekerheid. Toch, wist Marx, verlangen we allemaal in dezelfde mate naar zekerheid in werk als we naar zekerheid verlangen in een relatie. We willen niet zomaar op straat worden gezet; we zijn bang om in de steek te worden gelaten. Marx wist dat we vervangbaar zijn; het hangt allemaal af van kosten en behoeften. Maar hij had sympathie voor de verlangens van de arbeider. Emotioneel gezien is het communisme een belofte dat we altijd een plekje zullen hebben in het hart van de wereld, dat we niet verstoten zullen worden. Dat is bijzonder treffend.

3. Arbeiders krijgen weinig betaald, kapitalisten worden rijk
Dit is wellicht het grootste bezwaar dat Marx tegen het kapitalisme had. Hij geloofde dat de kapitalisten de lonen van de arbeiders zo laag mogelijk hielden, zodat ze een grotere winst konden opstrijken. Het was erg moeilijk voor de arbeiders om hiertegen te protesteren of hun omstandigheden te veranderen. Ze hadden het werk niet alleen hard nodig, maar ook hun huisbazen en werkgevers konden samenzweren om hun situatie uitzichtloos te houden door de huurverhoging evenredig te koppelen aan de loonsverhoging. Het moderne leven bracht ook nieuwe uitdagingen met zich mee die het proletariaat zwak hielden: dichtbevolkte woonwijken, ziektes, steden vol misdaad en letsel als gevolg van werk in de fabriek. Met andere woorden, schreef Marx, de arbeiders konden bijna eindeloos worden uitgebuit.

4. Het kapitalisme is onstabiel
Lang voor de grote crisis van de jaren dertig en de geautomatiseerde beurzen van nu, zag Marx al dat kapitalistische systemen gekarakteriseerd worden door een serie van crises. Dit komt deels doordat kapitalisten steeds grotere risico’s nemen om nog grotere winsten te maken en deze speculatie van invloed is op de prijzen en de werkgelegenheid. Maar het kapitalisme is niet alleen onstabiel vanwege de concurrentie en de menselijke zwakte. Volgens Marx is het inherent aan het systeem dat het onstabiel is. Het systeem is een macht die zichzelf voortdurend overmeestert, een ‘tovenaar die niet langer in staat is de machten van de onderwereld te beheersen die hij door middel van zijn toverspreuken heeft opgeroepen’.

Ironisch genoeg, zei Marx, hebben we geen crises in het kapitalisme vanwege tekorten maar vanwege een overvloed; we hebben te veel. Onze fabrieken en systemen zijn zo efficiënt dat we iedereen op deze planeet een auto, een huis, en toegang tot een goede school en een goed ziekenhuis zouden kunnen geven. Maar weinig mensen zouden hoeven werken. Maar we bevrijden onszelf niet. Marx dacht dat dit absurd is, de uitkomst van een vorm van pathologisch masochisme. In 1700 was de arbeid van bijna alle volwassenen in een land nodig om de hele bevolking van voedsel te voorzien. Tegenwoordig hoeft in een ontwikkeld land bijna niemand meer in de landbouw te werken. Voor het maken van auto’s is ook bijna geen personeel nodig. Werkloosheid wordt tegenwoordig als iets vreselijks gezien. Maar in de ogen van Marx is het een teken van succes, het resultaat van onze ongelofelijke productieve krachten. Het werk van honderd mensen kan nu door één machine worden gedaan. Maar in plaats van hier een positieve conclusie uit te trekken, blijven we werkloosheid als een vloek en een mislukking zien. Logisch gezien zou het doel van de economie juist moeten zijn om steeds meer mensen werkloos te maken. Dit zou als een vooruitgang gezien moeten worden, in plaats van een mislukking.

Omdat we de rijkdom niet onder iedereen verdelen en we werkloosheid proberen te voorkomen, geloofde Marx dat we geteisterd worden door onstabiliteit, ellende en onrust. ‘De samenleving ziet zich plotseling teruggebracht tot een staat van tijdelijke barbarij,’ schreef hij. ‘En waarom? Omdat er te veel beschaving is... te veel industrie, te veel commercie.’

5. Het kapitalisme is slecht voor kapitalisten
Hoewel Marx de kapitalisten en de bourgeoisie soms ‘vampiers’ en ‘vijandige broeders’ noemde, vond hij niet dat ze van nature slecht waren. Hij geloofde zelfs dat ze óók slachtoffer waren van het kapitalistisch systeem. Hij was zich bijvoorbeeld heel bewust van het verborgen verdriet en de pijn in de huwelijken van de bourgeoisie. Rijke mensen uit zijn tijd spraken met heel veel eerbied en sentimentaliteit over hun gezin, maar Marx stelde dat het huwelijk eigenlijk een verlenging van handelszaken was. Het huwelijk concentreerde het geld in handen van de man, die dat gebruikte om zijn vrouw en kinderen onder de duim te houden. Het geïdealiseerde kleinburgerlijke gezin werd gekenmerkt door spanning, onderdrukking en wrok, en de gezinsleden bleven niet uit liefde bij elkaar maar om financiële redenen. Marx dacht niet dat de kapitalisten werkelijk zo wilden leven. Hij geloofde eerder dat het kapitalistische systeem de mensen ertoe dwong om hun economische belangen als prioriteit te stellen, waardoor ze geen diepe, eerlijke relaties meer konden aangaan. Hij noemde deze psychologische neiging Warenfetischismus (warenfetisjisme), omdat het ons dingen laat waarderen die geen objectieve waarde hebben en ons stimuleert om onze relaties met anderen voornamelijk in een economisch opzicht te zien.

Dit is een ander belangrijk aspect van het werk van Marx: hij maakt ons bewust van de bedrieglijke, subtiele manier waarop een economisch systeem de mening van mensen over allerlei zaken beïnvloedt. De economie genereert wat Marx een ‘ideologie’ noemde. In zijn werk De Duitse ideologie (1845) schreef hij: ‘De ideeën van de heersende klasse zijn in elk tijdperk de heersende ideeën.’ Een kapitalistische samenleving is een samenleving waarin de meeste mensen allerlei dingen geloven die in werkelijkheid waardeoordelen zijn die beïnvloed zijn door het economisch systeem, bijvoorbeeld: dat iemand die niet werkt praktisch nutteloos is, dat als we maar hard genoeg werken, we vooruitgaan in het leven, dat meer spullen ons gelukkiger maken en dat waardevolle dingen (en mensen) altijd geld opbrengen.

Met andere woorden, het grootste kwaad van het kapitalisme is niet dat er corrupte mensen aan de top zitten – dat geldt voor elke menselijke hiërarchie – maar dat kapitalistische ideeën ons leren om bezorgd, prestatiegericht, conformistisch en politiek zelfingenomen te zijn.

***

Marx schreef opvallend weinig over hoe een communistisch systeem eruit zou moeten zien. Hij geloofde dat zijn werk voornamelijk bestond uit beschrijvingen van wat komen zou, in plaats van voorschriften voor de toekomst. Toen hij kritiek kreeg op zijn nogal vage voorspellingen (dat er bijvoorbeeld een ‘dictatuur van het proletariaat’ zou komen), spotte hij dat hij geen recepten wilde schrijven ‘voor de kookwinkels van de toekomst’. Misschien had hij wijs genoeg in de gaten hoe moeilijk het is om naar de smaak van de toekomst te raden, op zowel culinair als politiek gebied.

Toch krijgen we in het werk van Marx af en toe een glimp te zien van zijn utopia. In Het communistisch manifest omschrijft hij een wereld zonder privébezit, zonder geërfde rijkdom, met een sterk progressieve inkomstenbelasting, een gecentraliseerd bankwezen, een communicatie- en transportindustrie en gratis openbaar onderwijs voor alle kinderen. Marx verwachtte ook dat een communistische samenleving de mensen de ruimte zou laten om hun verschillende talenten te ontwikkelen. In De Duitse ideologie schreef hij: ‘In een communistische samenleving... kan ik vandaag het ene doen en morgen het andere; ik kan ’s morgens gaan jagen, ’s middags gaan vissen, ’s avonds voor het vee zorgen en kritiek leveren na het avondeten, net waar ik zin in heb, zonder ooit een jager, visser, veehouder of criticus te worden.’ Op die manier kunnen we verschillende kanten van onszelf verkennen – onze creativiteit, ons intellect, onze zachtheid en onze vurigheid – en iedereen zou tijd hebben voor een beetje gefilosofeer.

***

Nadat Marx naar Londen was verhuisd, werd hij financieel gesteund door zijn vriend en intellectuele partner Friedrich Engels, een rijke man wiens vader eigenaar was van een katoenfabriek in Manchester, wat nogal ironisch was voor een antikapitalist. Engels betaalde Marx’ schulden, zorgde ervoor dat zijn werk werd uitgegeven en (om de verdenkingen van mevrouw Marx te ontkrachten) beweerde zelfs de vader te zijn van een baby die waarschijnlijk Marx’ buitenechtelijke kind was. Bovendien schreven de twee mannen bewonderende poëzie aan elkaar.

Marx was geen gerespecteerde of populaire intellectueel in zijn tijd. Hij zat vaak in de leeszaal van het British Museum en schreef langzaam en eindeloos aan een boek over kapitaal. Engels en hij probeerden altijd aan de geheime politie te ontkomen (onder wie Marx’ zwager, die hoofd was van de Pruisische geheime dienst). Toen Marx in 1883 overleed, was hij stateloos en kwamen er minder dan een dozijn mensen op zijn begrafenis.

Respectabele, conventionele mensen uit de tijd van Marx zouden hebben gelachen om de gedachte dat zijn ideeën ooit de wereld zouden veranderen. Maar slechts een paar decennia later gebeurde dat: zijn werk werd de hoeksteen van een van de belangrijkste ideologische bewegingen van de twintigste eeuw.

Marx had een ongebruikelijk brede kijk op moderne problemen. Hij bedacht ingewikkeld klinkende termen als ‘dialectisch materialisme’, omdat hij ons wilde uitdagen om een link te leggen tussen onze dagelijkse keuzes en ervaringen, en grote historische krachten; om onszelf als onderdeel van een grotere, moreel belangrijke strijd te zien. Zijn werk is soms verwarrend, niet alleen omdat hij in de loop van zijn leven soms van gedachten veranderde, maar ook omdat hij zijn eigen taal wilde ontwikkelen om moderne problemen te beschrijven op een manier die niet voorschreef maar ook niet strikt wetenschappelijk was.

We moeten de ideeën van Marx niet zonder meer van de hand wijzen vanwege wat er in de twintigste eeuw mee is gedaan, omdat hij bijzonder waardevol is voor het heden. Zoals velen van ons wilde hij begrijpen waarom de moderne economie niet alleen materiële rijkdom, maar ook veel ellende veroorzaakt. Hij was verbaasd over de macht van het kapitalisme, over de manier waarop het heeft gezorgd voor ‘de onderwerping van de krachten van de natuur aan de mens... het kappen van hele continenten ten behoeve van ontginning, het kanaliseren van rivieren, het uit de grond stampen van hele bevolkingsgroepen’. Maar hij zag ook in dat het kapitalisme ons niet gelukkiger, wijzer of vriendelijker maakt – het kan ons niet menselijker of ontwikkelder maken.

Gezien het falen van eerdere door het marxisme geïnspireerde regimes, verbeteren we de zaken waarschijnlijk niet door het soort revoluties aan te stichten die Marx voorspelde. Maar we moeten serieus nadenken over wat hij ons vertelde over de dieperliggende problemen van het kapitalisme. Marxist zijn heeft veel te lang betekend dat je het eens bent met de minst indrukwekkende ideeën van Marx, namelijk zijn oplossingen voor de kwalen van de wereld. En omdat die zo vreemd zijn, valt al het andere dat hij te zeggen had in het niet.

Maar Marx was als een briljant arts in de tijd dat de moderne geneeskunde nog in de kinderschoenen stond. Hij kon de aard van de ziekte herkennen, maar hij had geen idee hoe hij die moest genezen. Hij richtte zich op enkele maatregelen die misschien plausibel waren in de jaren veertig van de negentiende eeuw, maar waar we tegenwoordig weinig aan hebben. Op dit moment in de geschiedenis zouden we allemaal marxist moeten zijn, omdat we instemmen met zijn diagnose van onze problemen. Maar we moeten ook op zoek gaan naar remedies die echt werken.

En die zijn er, verborgen in onderzoeksartikelen en boeken over economie die geen aandacht krijgen van de populaire media. We moeten nadenken over de vraag hoe we een economie kunnen creëren die niet alleen meer welvaart genereert, maar ook een betere relatie met de natuur, met geld, met elkaar en met onszelf. We hebben geen dictatuur van het proletariaat nodig, maar we moeten wel nadenken over waarom we werk belangrijk vinden en wat we willen dat werk voor ons doet. We moeten privébezit niet afschaffen, maar we hebben wel een betere en beter doordachte relatie met geld en consumptie nodig. En we moeten het kapitalisme niet alleen hervormen door bankdirecteuren af te zetten, maar ook door onze eigen gedachten op hun kop te zetten. Pas dan kunnen we ons een economie voorstellen die niet alleen productief en innovatief is, maar die ook vrijheid en voldoening cultiveert. Zoals Marx zelf verklaarde: ‘De filosofen hebben de wereld tot dusver slechts geïnterpreteerd; nu komt het erop aan haar te veranderen.’

Dit artikel is afkomstig uit het boek van The School of Life, Grote denkers. Het is uit het Engels vertaald door Susan Ridder en uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar. Het boek is o.a. verkrijgbaar in onze winkel op Frederiksplein 54 en natuurlijk ook online

Op 29 september houden wij een symposium over de toekomst van werk.

Recent entries